II – Frambozenjam

II

Frambozenjam

Het is nog stil buiten. Een zondagochtend in november. Oranje gekleurd blad vult de straten en kale bomen blijven nietsvermoedend achter. De ramen zijn beslagen, een crèmekleurig gordijn houdt wat licht tegen. Een grijze Batavusfiets leunt tegen de ruit. Het is niet mijn fiets, mijn fiets staat een paar meter verderop op haar versleten standaard.

De fiets is van haar. Ze ligt naar me toe gedraaid, het witte dekbed voorzichtig om haar naakte lichaam heen gewikkeld. Ik kijk naar haar gezicht, ik kijk naar hoe ze slaapt en hoe ze zachtjes en ontspannen ademhaalt. Ik kijk naar het meisje dat ik weken heb moeten missen. Haar bruine huid steekt af tegen mijn handrug.

Ik val opnieuw in slaap. Het is herfst in Nederland.

Hoe verder de kou omhoog kruipt, hoe verder ik mijn onafhankelijkheid verlies. Het leven was makkelijk. Toen kwam jij.

Ik was simpelweg gelukkig. De meeste dagen boden zich hoopvol aan, gretig maar vooral benieuwd wat ik met ze zou doen. Buitengewoon veelzijdig, ze kunnen bijna alles wat je wilt -maar ze hebben wel sturing nodig. Dat was mijn taak. (Vrij vertaald van Jonathan Carrol).

Vaak besloot ik pas op de dag zelf wat ik wilde doen. Het leven was licht en op iedere straathoek wachtte een avontuur. Het maakte me niet de meest trouwe vriend en verplichtingen waren een verschrikking. Maar zo was ik gelukkig.

Roza kuste me wakker. Gisteravond zag ik haar voor het eerst weer terug. Vijf weken was een lange tijd.

Voordat we verder kunnen, moeten we terug. Weg uit de kamer met de crèmekleurige gordijnen, weg uit de straat vol met het oranje gekleurde blad. Een paar weken, meer niet. Maar ik moet dat deel van het verhaal ook vertellen.

 

“Het witte dekbed voorzichting om haar naakte lichaam heen gewikkeld”

 

Het is een willekeurige doordeweekse ochtend. Een wollen sjaal valt nonchalant over mijn broek. Ik zit in de coupé van een Intercity. Mensen zijn verzonken in hun telefoon, een man slaapt met zijn aktetas op schoot en een jonge vrouw kloot nog wat aan haar wimpers. Niemand spreekt met elkaar, alsof we het begin van de dag zo nog even kunnen uitstellen.

Ik zie een zwak contour van mezelf als ik door het raam naar buiten staar. Donkere wallen bedekken mijn wangen en kleine ogen kijken me betekenisloos aan. Ik ben een triestig gezicht.

De trein mindert vaart en stopt op Delft Centraal. Hier staan hordes mensen staan klaar om in te stappen. Jassen schuren tegen elkaar aan als de deuren van de intercity open schuiven. Nog steeds zegt niemand iets, maar het gepiep van de poortjes echoot in een ongrijpbaar ritme door de stationshal. Vlak naast me botsen twee heren tegen elkaar aan, ze schieten vrijwel direct in een enorm pardon-kanonnade. Beide heren beleefd en elke vorm van confrontatie mijdend. Twee evenwichtige mensen met evenwichtige opmerkingen. Ze voegen zich tussen de andere forenzen en de menigte dartelt slaapdronken verder.

Met een korte ruk trek ik mijn fiets uit de stalling. Ik fiets het stationsgebied uit en na ieder rood verkeerslicht trap ik harder. De ketting slipt over de afgeronde tandwielen. Zoals op alle ochtenden heb ik haast, de overdracht begint over zestien minuten.

Ik kijk niet meer omhoog voordat ik de draaideuren van het ziekenhuis door ga. Boven is het stil en de lucht donker. Er is niets meer te zien.

Ik knik mezelf een weg naar binnen en fluister een zacht goedemorgen. Ik loop de roltrap op, de gang door, de assistentenkamer in. Mijn witte jas hangt aan het haakje van de kapstok. Ik herken haar aan de oren van de zwarte Lithmann stethoscoop en aan het versleten zakkaartje met normaalwaarden dat opgepropt in het borstzakje zit.

Ik ben net op tijd.

Samen met de zaalarts loop ik langs de patiënten. De prematuren in de couveuses nemen voorzichtig hun eerste ademteugen terwijl moeder uitgeput in haar pyjama op de rand van het opklapbed zit. We rekenen de voedingsbehoeften van de neonaten uit; tien tot honderdzestig milliliter per kilogram, daar komt het eigenlijk wel op neer. Maar ondertussen denk ik die ochtend – en al die ochtenden – vooral aan haar.

Roza is twintig dagen geleden vertrokken naar het land van de FARC en de koffieplantages. Van de cocaïne en de salsa. Ze is twintig dagen geleden vertrokken naar het land waar ik eind november heen zal vliegen.

Ik tel de dagen tot haar terugkomst af, ook al weet ik dat ik dat niet moet doen. Tevergeefs, op momenten leef ik in haar tijdzone. Haar nacht is mijn opstaan, haar ontbijt mijn lunch en haar avond mijn onrustig woelen onder het zomerdekbed dat ik alle seizoenen lang blijf gebruiken.

Vijf weken is een lange tijd.

18 september was onze laatste dag samen, het was de derde keer dat we elkaar zagen. Die zondag dronken we koffie uit porseleinen kopjes met onze benen bungelend over de kade. Beneden ving het water de eerst gevallen bladeren op. We hadden de herfst onder onze voeten. Het café dat ons de koffie had geserveerd had geen ruimte meer op het terras. Soms moet je de zon en romantiek najagen, vaak komen ze vanzelf.
Ze bedekte mijn hand met de hare en ik streelde haar arm. We waren voor het eerst stil, beiden in afwachting van ons onvermijdelijke afscheid.

Toen scheen de zon nog. Het lijkt al lang geleden.

“We hadden de herfst onder onze voeten”, Den Haag, september 2016

Na mijn coschap vertrek ik in eenzelfde trein weer terug naar Den Haag. De mensen staren vermoeid voor zich uit, een paar scholieren bespreken uitgelaten de waan van de dag. Thuis pak ik een goedkope fles rode wijn uit de kast. Ik ga achter mijn bureau zitten en ik zet de muziek precies hard genoeg om de kamer te vullen. Achter de spierwitte muur van gips klinkt het geweld van de televisie. Ik begin met schrijven, ik spreek de zinnen zachtjes voor me uit. Het vloeit en niet veel later begint de tekst te zingen. Het zijn deze dagen dat ik de laatste drie verhalen van mijn website schrijf.

‘Manische buien slaan om in een trage melancholie en er is niets dat ik daaraan kan doen.’, schreef ik. Want zo was het. Die avond, maar ook al die andere. En de ochtenden en de nachten.

Mijn stemming was omgeslagen.

Roza was daar, in een ver Zuid-Amerikaans land. Ik vroeg me af wat ze deed en wat ze dacht. Hoe laat ze opstond en met wie ze sliep.
Ik giste naar haar gevoel. Dan giste ik naar mijn eigen gevoel. Was dit ik wilde? Afhankelijkheid, irrationele onzekerheden en een gevoelsleven dat met niets anders rekening lijkt te kunnen houden.

Ik sliep slecht en de dagen vloeiden betekenisloos in elkaar over. Het weekend stond onaangekondigd voor de deur en was voorbij zonder dat ik daar erg in had. Alles leek van haar berichtjes en signalen aan elkaar vast te hangen. Ik leefde niet meer.

Ik had mezelf helemaal in haar verloren.

Ik schreef haar vol verlangen om mijn waanzin naar haar over te brengen. Dan antwoordde ze een dag later, heel aangedaan en heel hartelijk, maar zonder een woord teveel of te weinig.

“Maak je geen zorgen om mij, dan doe ik dat ook niet om jou. Vergeet me. Als je me daarna maar weer herinnert.”

Dit zei ik haar op de dag voor vertrek. Ze lag die ochtend met haar natte haar op mijn borstkas. Maar zij was nu daar en ik was hier. Zij kon me geweldig goed loslaten en ik bleek verdomde slecht in mijn eigen spreuk.

 

“Ik bleek verdomde slecht in mijn eigen spreuk.”

Op een dag belden we elkaar op. Daar lag ze, met haar mooie gezicht in een hangmat onder een strakblauwe lucht. Achtduizend kilometer ver. Ze had witte oordopjes in haar oren. We hadden elkaar al weken niet gezien. Ik zal dat beeld nooit meer vergeten. We spraken twee uur lang over haar reis en mijn co-schap, over Colombia en over Nederland. Het waren alledaagse dingen. Ik kreeg niet waar ik op hoopte.

Ze klonk afstandelijk en ver. Ik was alle grip verloren.

Ik ben die nacht de stad in gevlucht om ergens op het Plein in een verschrikkelijke tent met verschrikkelijke muziek net zoveel te drinken tot mijn arm plakte van de Sambuca en ik haar eindelijk kon vergeten. Maar de volgende dag was ze gewoon weer daar.

En daar is niets romantisch aan.

Ik probeerde een compromis met mijn eigen gedachten te sluiten, maar het ging maar niet. Het lukte niet. Thuis vergiftigde ik Lars en Jeroen met mijn gezeik en getwijfel. Veel gesprekken gingen over Roza als we op het lauwe stroompje koffie uit het Nespresso-apparaat stonden te wachten.

Ik was een sukkel voor de liefde.

 

Lars, Den Haag 2017

En toen was het zaterdagavond, oktobers laatste. Knikken doen mijn knieën nu eenmaal nooit, maar het idee is vast duidelijk.

Ik had dit moment veelvuldig ingebeeld en geoefend. Hoe ik aan zou komen lopen met naar achter getrokken schouders in een zwart T-shirt nonchalant in een pantalon gepropt. Ik zou grote zelfverzekerde passen nemen terwijl ik haar vanaf 50 meter ver diep in de ogen aan zou blijven kijken.

Maar zo ging het niet.

Het was ook veel te koud voor een zwart T-shirt.

“Hé!”
“Ik wist niet dat je daar stond te wachten, wat zie je er goed uit! Lekker bruin hè?”
“Wat heb jij nou weer aan, is dat een winterjas? Dit is de eerste keer dat ik je in een winterjas zie!” Ik stapte op haar af en ik gaf haar een kus.
“Je moet eens weten hoe koud het hier was de afgelopen weken.”

Roza was dichtbij nu ja, maar ik had direct door dat ze eigenlijk nog heel ver weg was.

In de Oude Molstraat dronken we rode wijn uit grote glazen. We probeerden gedachten te delen terwijl haar vingers vlug over haar telefoon gleden om me al die mooie foto’s te laten zien.

We aten die avond in het restaurant van een bekende galeriehouder. Met haar nagels kraste ze het wit van het stokbrood. Tussen de gangen door liepen we vrij rond en helden we lachend en ongegeneerd over andermans gerechten om de kunst van dichtbij te bekijken. Ze hield van abstract. Ik probeerde die avond zo netjes mogelijk te eten en naarmate de wijn vloeide, kwamen we weer dichter bij elkaar. Tegen sluitingstijd betrapte de serveerster ons zoenend aan de tafel – het was een reuzeaardig mens, heus waar, en notabene haar eerste dag. Ik rekende bij haar af en we fietsten hand-in-hand terug naar het centrum.

Hier sloegen we de terrassen over. Op Plaats gingen we zitten onder het standbeeld van Johan de Witt. Ze had een fles champagne gekocht op Frankfurt en de kurk vloog meters ver uit haar handen. We dronken en raakten verzeild in onafgemaakte zinnen en verhalen. Met de aangebroken fles in ons beider handen liepen we door de binnenstad van Den Haag. Die nacht brachten we de liefde en lust naar het Lange Voorhout. De starende herenhuizen keken bedachtzaam op ons neer toen we kussend tegen de Kloosterkerk aanstonden. Het gaf ons niets. We slopen een nog geopend museum in waar we al vozend op een gestoffeerd bankje de rest van de fles leeg dronken. Weer buiten klonk Spinvis zachtjes uit de openstaande deuren van een theater.

Dit was leven.

We fietsten naar mijn huis.

Ze zette haar fiets tegen mijn raam. We vrijden op en onder het witte dekbed en het was die nacht dat ik eindelijk weer kon slapen.

Ik werd zondagochtend vroeg wakker. Ik keek naar haar, ik keek naar het meisje dat ik weken had moeten missen. Ik vond haar mooi en ik viel voor een tweede keer in slaap.

Roza kuste me wakker. We stonden samen op. We namen de fiets naar het strand, naar het zand waar het weken geleden allemaal begon. Hier doopten we croissants in een pot Frambozenjam en dronken we verse sinaasappelsap uit een glazen fles van die bekende supermarkt.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
” Ik greep naar haar hand”

Koning Winter kwam steeds dichterbij en dun katoen werd verruild voor grove wol. Ik zat in de trein naar Amsterdam. In mijn tas zat niets meer dan mijn camera, een boek en diverse aangebroken pakjes kauwgom. Ik nam er een uit de verpakking en ik begon met kauwen.

Ik hield de plaats naast me bezet. Roza zou instappen op Haarlem, zo hadden we het afgesproken. Ik probeerde de aandacht te trekken van het meisje tegenover me. Zomaar, niet eens bewust. Ze las een boek. Misschien wilde ik haar verrassen met Roza. Misschien had ik haar aandacht gewoon even nodig.

De trein stond stil en daar was ze, in het spijkerjack van Levi’s dat haar zo mooi staat. Ze was een verschijning tussen het grauwe plastic van de coupé. Ze ving mijn blik en ze ging tegen me aan zitten. Ik greep naar haar hand.

Ik vroeg haar hoe het ging. Ze vroeg mij hetzelfde. We praatten en kusten en doken de diepte in terwijl de slecht gekozen koppen van de Metro onbewogen op de grond om ons heen lagen. Een moment later zaten we ineengestrengeld op het zachte roze van de bank in de trein. Ons station was hier, maar we zaten te lekker en we vonden het allebei zonde om uit te stappen. Dus we bleven zitten.

Dat is leven.

Eindelijk in Amsterdam aangekomen, verraste ze me met een hotel. Het bed pronkte met zijn witte lakens en uitzicht over het IJ. Het waren extatische uren. We gingen de stad in en aten en dronken, het was eigenlijk zonde dat we allebei niet rookten. Terug in het hotel stapten we onder de douche. Ze droogde zich af met een hotelhandoek van de dikste kwaliteit. Ik fotografeerde haar dwars door het condens van de spiegel heen. Ze vroeg me niks. Anders had ik haar kunnen vertellen dat ik deze foto’s weken geleden al had bedacht, bedacht ver voor ons weerzien en bedacht ver voor het verhaal dat zichzelf nog moest schrijven.

“In het spijkerjack van Levi’s dat haar zo mooi staat”

De volgende ochtend struinden we samen door Oost en lachte ze me toe toen ik werd versierd door het homoseksuele koppel van het negenentwintigste koffietentje van de laan. Alles leek zo goed.

Die middag scheidden onze wegen en langzaam kroop de kou weer naar boven. Zo ging het iedere keer nadat we elkaar hadden gezien.

Het spel van aantrekken en afstoten begrijp ik niet. Ik wens niet berekenend in de liefde te zijn.

Ik zwoegde met mijn gevoelens voor haar. Maar ik had niet het idee dat ze ook maar een beetje mee torste. Ik gaf Roza alles wat ik had, maar was onzeker over wat ik terug kreeg. Ik was verliefd; en ik had haar dus niet gekozen, maar ik wilde wel dat ze mij koos.

Enkele dagen later bleef ik uren te lang op een borrel in Leiden staan opdat ze mij kon uitnodigen bij haar te blijven slapen. Zij was met haar vriendinnen – ze had zoals altijd voor de wijn gezorgd – en ik stond in een leeggelopen kroeg levensverhaal na levensverhaal op te rakelen met eenieder die nog over was. Het was die avond dat een meisje naar me toekwam en me vertelde dat ze mij door-en-door kende, maar ik haar niet. Het schrijven maakte me tot een open boek, de uitdrukking was niet meer figuurlijk. Ik realiseerde me op dat moment dat ik ook zo naar Roza was. Ik gaf haar alles, veel meer dan ze vroeg. Ik bleef op die borrel, wachtend op haar uitnodiging. De laatste trein naar Den Haag vertrok om 02:23 en het was op dat exacte tijdstip dat ik met opgelicht telefoonscherm door de openstaande deuren van de intercity sprong. Zonder berichtje van Roza, dat kwam twintig minuten later. “Ik blijf nog even.”, stond er in geschreven. Ik voelde een enorme afwijzing. Ze drukte me neer.

Het was een kwestie van gevoel en vertrouwen, van uitspreken en van confronteren. Dat wist ik. Maar ik sprak al mijn gevoelens uit, ik had allang gekozen. Wat kiest zij? Ik kon het niet meer en ik besloot die nacht dat ik of alles wilde of helemaal niets. Ik heb die nacht twee vrienden opgebeld.

Ik zou over 2 weken naar Zuid Amerika vertrekken. Ik wilde weten waar ik aan toe was.
Ik was al die tijd zo aan het jagen dat ik zelf niet eens de ruimte had om na te denken wat ik nu eigenlijk zelf wilde.

Ivy Roos, 2018
“Ik had de ruimte niet om te bedenken wat ik zelf wilde.” – Ivy Roos, 2018

Amsterdam, zaterdagavond. De servetten lagen nog niet eens op schoot. Café Wildschut biedt haar gasten een simpel menu met hamburgers en pasta’s. Het was inmiddels tien uur ’s avonds.
“Een clubgenootje vroeg me hoe het tussen ons ging”, begon ze plotseling. “En, wat zei je?”. “Ik zei haar dat ik niet uitsloot dat het wat zou worden.”

“Maar eigenlijk wil ik geen relatie.”

Ik kon niets anders dan een grote slok wijn nemen.

— einde —

De afgelopen maanden heb ik mij grotendeels op de portretfotografie gestort. Een dozijn aan foto’s past bij deze verhalen, maar alle portretten – op straat of in een uitgemeten studioruimte – hebben weinig met het verhaal te maken. Het liefst had ik van ieder moment dat ik met jullie deel een mooie foto gemaakt, maar ik ben nu eenmaal geen documentairefotograaf van mijn eigen leven.

 

Reinier, Den Haag 2018
Een kleine fiets, Amsterdam 2017
Tom, Den Haag, 2017

 

 

Rutger, Pula (Kroatië), 2018
Sander, Den Haag, 2018
Tim, Den Haag, 2017
IMG_3641-3
Elaine, Den Haag, 2017

 

Traptreden, Den Haag, 2017
Een horizon, 2017

 

3 gedachtes over “II – Frambozenjam

  1. Heel herkenbaar weer, mooi geschreven Ernest mbt de twijfel of jouw liefde voor de ander, door de ander wordt beantwoord, cq hetzelfde wordt gevoeld.

    Like

Geef een reactie op Theo Taal Reactie annuleren