(een mooie droom)

I

(een mooie droom)

 

Het was dag zes van het co-schap.

Koffie kwam in geurige dampen uit het kartonnen bekertje omhoog. Ik was vroeg en ik nam voorzichtig mijn eerste slok terwijl de ruimte vol stroomde met witte jassen. Het gezelschap verzamelde zich aan een grote houten tafel op de tiende etage van het ziekenhuis aan de Leyweg. Vroeger heette het ‘Leyenburg’. Ik was er eerder geweest, ik ben er geboren.

De ochtendoverdracht van de Neurologie begon nooit op tijd.

En daar was ze, ik zag haar voor de eerste keer. Ze liep achter me langs en ging in de lege stoel naast me zitten.

“Dus jij bent Roza?”

Ze lachte, zei iets terug en terwijl de nacht de dienst overgaf aan de ochtend wist ik dat er iets was gebeurd.

Natuurlijk wist ik niet direct wat zich had voltrokken en wat ik nu eigenlijk wilde, maar ik wist toen al zeker dat ik graag nog heel lang naast haar wilde blijven zitten.

Ze droeg haar donkerblonde haar hoog opgestoken, ik zag twee helderblauwe ogen die nieuwsgierig en zonder gêne de wereld probeerden te beïnvloeden. Een slanke hals stak uit boven de boord van de witte jas en vanaf daar begon het lichaam van een mooie jonge vrouw. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.

Het is een houding, een zekere schoonheid en die lach. Ze is intrigerend, ze is chique en ze lijkt exact te weten waar ze naartoe wil. Maar vlak daaronder – duidelijk zichtbaar voor een ieder die het maar wil zien – een stukje zorgzaamheid en een iets wat gemakkelijk lief te hebben is.

Dat is dus Roza.

Deze verhalen gaan over haar. Ik probeer haar niet beter of slechter te omschrijven dan zij is, want zoals ik haar omschrijf is ze voor mij. De waarheid blijft altijd een compromis.

 

“De waarheid blijft altijd een compromis”, zelfportret, 2017

Het co-schap Neurologie beviel goed, de sfeer tussen de assistenten en de bazen was opmerkelijk en het vakgebied interessant. Met wat handelingen en kunstjes die moeilijke namen dragen kon ik al snel vrij exact aanwijzen waar in het centraal zenuwstelsel de laesie zich bevond.

Al was ik al snel meer geïnteresseerd in waar Roza zich bevond.

Ik keek schromend naar haar gezicht als ze sprak tijdens de overdracht. Gedurende de dag stelde ik haar banale vragen waar ze altijd vergenoegd op reageerde. Zo vertelde ze me over haar aanstaande reis door Zuid-Amerika en over alle mooie dingen ze al had gezien. Ze was al bijna arts, het was een kwestie van weken. Ze werd met het uur interessanter, met het uur onbereikbaarder ook.

Er was nauwelijks contact tussen ons die eerste warme weken van augustus, toch beheerste ze mijn stemming. Onmogelijk dat zij dat heeft doorgehad, maar voor mij was het evident. En wennen. Een enkeling vertelde ik over haar; ze leken haar allemaal te kennen. Roza was al iemand voordat ik haar op een voetstuk had geplaatst.

In de derde week van het coschap vroeg ik haar mee uit drinken. Dat deed ik nooit, maar het moest. Ik had maanden stukjes toekomst weggegooid of omarmd door vegen naar links en rechts te geven op het scherm van mijn smartphone. Dit was moeilijker maar daarmee ook echter.

Het was een doordeweekse dag als geen ander, ik zat in een broeierige polikamer op de Sportlaan. Ik had die ochtend al een hoop rugklachten, tintelende vingers en patiënten met chronische hoofdpijn gezien. Mijn handdoek lag opgerold onder het bureau, het was warm en het strand vlakbij.

Tussen de middag, zo vlak voor de lunch, kwam Roza plotseling mijn spreekkamer binnengelopen. Ze vroeg me iets onbeduidends. Woorden en zinnen vlogen over en weer en op het moment dat ze haar hand op de deurknop legde wist ik dat dit het moment was om het haar te vragen: “Wil je anders een keer wat met me drinken?”. Er viel een stilte waarin de tijd zich langzaam uit rekte. Maar ze lachte en keek me aan. “Ja is goed!”, zei ze. Toen liep ze weg.

Ik bleef met een glimlach achter, euforie droop van mijn rug. Ik dacht even dat ik alles had, maar realiseerde me snel genoeg dat het nog helemaal niets was. Geen plan, geen telefoonnummer en geen afspraakje. Was het beleefdheid, een gepast antwoord of nog minder dan dat? Ik had nog niets, en toen was het weekend, haar laatste weekend als co-assistent, en toen kwam maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en uiteindelijk vrijdag. Al die dagen zag ik haar niet of juist in het bijzijn van iedereen anders die ik er niet bij wilde zien. Een vriendschapsverzoek via Facebook zou te gemakkelijk zijn en alles verpesten. Haar opwachten tot ze veel later het ziekenhuis uitkwam te pathetisch.

Op die allerlaatste vrijdag stapte ik de lift uit. Er was toevallig helemaal niemand. Liften stegen en zakten achter en voor mij neer maar de 10e etage werd niet aangedaan. Ik stond daar met mijn aangebroken zak boterhammen op de overloop. Ik kon nog net zien hoe Roza de lift tegenover me instapte; zij zag mij ook. Ze draaide zich om en ze stapte terug. Zo stonden we die laatste vrijdagmiddag tegenover elkaar tussen de deuren van lift D. Zij moest naar beneden, maar ze ging nog niet. We leunden wat en spraken wat. De spanning was daar, ik voelde haar overal. Het was gek. Ik weet niet meer waar we het over hadden, maar ze lachte. Het duurde en toen moest ik:

“Ik wil nog steeds wat met je drinken, wanneer kun jij?”

“Deze, nee volgende week.” antwoordde ze.

“Maar hoe moet ik het je vragen?”, waarop ze twijfelde en zichtbaar zenuwachtig met haar lichaam schoof.

“Stuur me maar een berichtje via Facebook”, antwoordde ze uiteindelijk.

Toen sloten de deuren en zakte ze naar beneden.

De kapot gescheurde tegels van het Spui, Den Haag, 2016

Die avond vierde ik mijn overwinning met mijn huisgenoten. Ze kenden haar en ik werd bejubeld en op momenten dat zij het niet deden deed ik het zelf wel.

Die nacht dronk ik en dronk ik tot ik zaterdag zelfmedelijden had en uren deed over een paar sneetjes droog brood. En net toen het niet veel erger kon was daar het berichtje met haar telefoonnummer.

In de dagen die volgden typten we berichten over en weer, soms anderhalf uur achter elkaar en soms dagdelen niets. Uiteindelijk had ze zondag een afspraak kunnen verzetten. Het was inmiddels zeven en een halve dag voordat ze naar Colombia zou vertrekken.

Ik had één kans om haar voor me te winnen. Eén avond om in haar hoofd te kruipen opdat zij mij niet zou vergeten als we elkaar zolang niet zouden zien. Hier werd om gelachen, toen ik het aan mensen vertelde. Maar voor mij was het bloedserieus.

Ik wilde haar meenemen naar Parijs, het leek me het enige juiste om te doen. Ik denk dat alleen Tim van Elst begreep dat het me menens was.

Tim slapend op de bank, Den Haag, 2017

Het was een rare zondag, hij trok heel traag voorbij en toen het eenmaal half negen ’s avonds was realiseerde ik me dat heel het weekend hierom te doen was…

Ik leunde op mijn fiets boven de kapot gescheurde tegels van het Spui. De skaters waren allang vertrokken, laat staan de functionarissen in pak. Ik was nerveus, maar het waren prettige zenuwen. Ze was laat en plotseling was zij daar. Daar aan de overkant stond een mooi meisje in een lange beige zomerjas onder het licht van de binnenstad van Den Haag. Natuurlijk herkende ik haar direct.

We fietsten mijn richting uit. Onderweg praatte ze aan één stuk door. Onze eerste afspraak had lang niet meer de invulling die ik haar in eerste instantie had gegeven. Maar dat wist zij niet. Ik wilde zonder het haar te zeggen naar Parijs om haar mee te nemen langs de Seine en over het grind onder de Eiffeltoren. Maar dat wist zij niet. “Gaan we naar het strand?” vroeg ze. “Nee, natuurlijk niet”, zei ik. “Dat zou wel erg afgezaagd zijn.” Ondertussen had ik de grootste moeite om de katoenen tas met handdoek, truien en een fles Beaujolais op mijn schouder te balanceren.

Het schemerde toen we elkaar ontmoetten op het Spui, de zon was allang vertrokken toen we bij de kust aankwamen. De wind blies door haar jas en het dunne shirt dat ze eronder droeg. We slenterden en sloften door het zand totdat we gingen zitten op het meegebrachte zwarte badlaken met de blauwe strepen. Ondertussen spraken we verder en verder. We luisterden, dachten na en dronken rode wijn.

Ik had geen idee hoe het ging.

De meeuwen sloegen over ons heen, ergens hoog en steeds verder weg. De vuurtoren lichtte die voorbijtrekkende schimmen op en bleef de hele avond en nacht zijn licht over ons schijnen. Ik wilde dat ze zag hoe mooi het was. Ik wilde dat ze genoot van die oneindig zwarte zee voor ons en van de leegte van het verlaten strand om ons heen. Ik wilde dat ze genoot van de wijn uit de plastic bekertjes.

En ze zag het, en ze genoot.

Het was een mooie nacht. Maar het was nog niet goed. We raasden terug over de kinderkopjes van de Scheveningseweg. Ze fietste nog roekelozer dan ik. Het was inmiddels ochtend maar dit was leven. Dat heb ik haar ook gezegd: “Je zou bijna zeggen dat je het hier allemaal voor doet.”

Hollands Spoor, tien voor half twee. Verkeerde perron. Haast. Per ongelukkige aanrakingen. En toen de openslaande deuren van de trein. Ze draaide zich om en kwam heel dichtbij. Ze kuste m’n mond. Het fluitje. De deuren. Ze was weg.

Toen was het goed.

De vuurtoren bij daglicht, Den Haag, 2017

Die laatste week zag ik haar opnieuw en opnieuw. Het was een puzzel die langzaamaan onoplosbaar werd waar zij steeds sneller zou vertrekken. Maar we waren bij elkaar en kwamen steeds dichterbij bij elkaar. Op die laatste zondag zaten we met porseleinen kopjes met onze benen bungelend over de kade. We hadden de herfst onder onze voeten. Ik streelde haar hand.

En toen ging ze weg. Vijf weken was zij niet hier. De omgekeerde vakantieliefde.

“Maak je geen zorgen om mij, dan doe ik dat ook niet om jou. Vergeet me. Als je me daarna maar weer herinnert.”

Ik ben verliefd en ik hoop dat zij het ook is. Ik wil het niet, maar het is verschrikkelijk fijn. Het is naïef en simpel, maar het is zo verschrikkelijk fijn.

Als ik nu ’s ochtends aankom op Delft Centraal kijk ik naar de lucht. Het licht is prachtig ’s ochtends; het gouden uur. Ik fiets naar het ziekenhuis voor mijn co-schap Kindergeneeskunde, ik fluit en ik lach. Ik ben vrolijk en ik weet dat het naïef en simpel is. Maar het is zo fijn. Voordat ik het ziekenhuis binnenstap kijk ik nog één keer omhoog, dan kijk ik langs de grijze gebouwen met hun glas en kunststof kozijnen naar de lucht. En dan denk ik aan haar. Zo simpel en naïef.

Maar zo fijn.

Zo is het begonnen.

 

—  einde deel I  —

 

De afgelopen maanden heb ik mij grotendeels op de portretfotografie gestort. Een dozijn aan foto’s past bij deze verhalen, maar alle portretten – op straat of in een uitgemeten studioruimte – hebben weinig met het verhaal te maken. Het liefst had ik van ieder moment dat ik met jullie deel een mooie foto gemaakt, maar ik ben nu eenmaal geen documentairefotograaf van mijn eigen leven.

 

Mijn steeds ouder wordende vader, Den Haag, 2017
OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Laura, Den Haag, 2017
Mise-en-scène met een luchtje, Den Haag, 2017
Een Italiaan in Nederland, Den Haag, 2017
‘Pangong Tso’, een gigantisch meer in de Himalaya tussen India en China, 2015
Een passant op straat, Den Haag, 2017
Een horizon in Brighton, 2017
Mijn afscheid van Roza uren voordat ze naar Colombia zou vertrekken. Een oud-huisgenoot zag ons en legde het vast, Den Haag, 2016

 

5 gedachtes over “(een mooie droom)

  1. Wauw Ernest, wat kun jij wederom jouw belevenissen én je gevoel schitterend beschrijven! Toch maar een keer een boek schrijven naast je portretfotografie!!

    Like

Geef een reactie op Tamara Reactie annuleren