The Motorcycle Diaries

Ik kon niet goed in slaap komen die nacht. Spanning en zenuwen. Ik lag in bed te woelen zoals op de avond voor mijn negende verjaardag.

Na een koude douche stapte ik in mijn vaal blauwe broek en trok ik een uitgelubberd shirt aan dat ik maar niet kon weggooien. Met twee trappen kwam de motor tot leven.

14 juni 1928, Ernesto wordt geboren in Rosario, Argentinië. Op drieëntwintig jarige leeftijd staakt hij zijn studie medicijnen om op een Norton 500cc motor Latijns-Amerika te verkennen. Gedurende 9 maanden trekt hij door de landen die hij enkel kent uit boeken. Wat hij zag heeft hem voorgoed veranderd, de rest is geschiedenis.

In oktober begin ik gewoon aan mijn co-schappen en een revolutie is mij te vermoeiend. Maar toch moeten Ernesto Che Guevara en ik ons hetzelfde hebben gevoeld in die nacht voor vertrek.

Met een 350cc Royal Enfield Bullet over onbekende wegen op zoek naar avontuur. Een echte bestemming is er niet. Het is een jongensdroom.

Kolkata sliep nog, het was half zes. Onder de beschutting van oranje afdekzeilen lagen arme mensen te rusten tot de stad hen zou wekken. De moessonregens kunnen de straten binnen enkele uren laten overstromen en de bedrijvigheid tot halt roepen. In evenveel tijd droogt de enorme plas weer op. Er blijft een hoop smerigheid over, ik heb het al een aantal keer zien gebeuren. Toch leken de mensen blij te zijn met het regenseizoen, want het was eindelijk niet meer zo warm.

Ik kende de weg en ik reed zonder moeite de stad door, het was nog rustig. Op de hoek van het Moeder Teresa huis stopte ik om een kop chai te drinken en wat te eten. Ik reed ik verder de stad uit, de stad die ik inmiddels zo goed had leren kennen. Langs de gele Ambassador taxi’s, over de trambaan en ten slotte over de reusachtige Howrah Bridge. Het was zover.

Met mijn linkervoet gaf ik tikjes op het schakelpedaal en ik manoeuvreerde de motor met korte dotten gas door het op gang gekomen Indiase verkeer. De wind sneed in mijn gezicht en de motor trilde ritmisch onder het geweld van de kloppende cilinder. Mijn armen waren bloot en het wijdzittende T-shirt vormde zich om mijn borstkas heen een weg naar achter. Vrijheid had nog nooit zo’n fysiek gestalte aangenomen. Het was een heerlijk gevoel.

Het landschap veranderde vlug van gezicht en ik had geen tijd om het leven dat voorbij schoot goed in me op te nemen. Maar alles bleef minstens zoveel indruk maken. De rokerige geur van een afvalverbranding ging moeiteloos over in de geur van dier en groen. Zelfs de dieselmotoren van het vrachtverkeer roken lekker. De motor deed het goed, het zware geratel veranderde op hoge snelheden in een oorverdovend gekrijs. Je kon me van ver horen aankomen.

De eerste dagen had ik een persoonlijke fotograaf
De eerste dagen had ik een persoonlijke fotograaf

De steden zijn druk en vol, maar de wegen die de steden en dorpjes met elkaar verbinden zijn rustiger. De hectiek van de stad verdwijnt en er blijven voornamelijk bussen en grote versierde vrachtwagens over. De tocht bracht me op plekken waar ik niet hoorde te komen. Ik belandde in kleine nietszeggende plaatsjes waar elk land er zoveel van heeft. Hier keken mannen me met stoïcijnse blikken aan, niet agressief maar ook verre van gastvrij. Ik ken die blik inmiddels. Het is er een van nieuwsgierigheid en verbazing, maar in het Westen kijken we anders in dat soort situaties. Dan zoeken we onze toevlucht in een glimlach, knik of ander geruststellend gebaar. Maar men was vriendelijk, en ze waren met veel. Als ik ergens stopte om wat te drinken stond er binnen de kortste tijd 25 man om me heen, allen te verbaasd om te vragen wat ik van plan was.

Al mijn spullen zaten vastgebonden op de ijzeren bagagerekken achterop; ik kon overal naartoe. Ik ontvluchtte de dreigende lucht van een grijze wolken massa en kon dan minuten lang tevreden achterom kijken als ik snel genoeg was. Soms was ik te traag en dan werd ik afgestraft door een verschrikkelijke hoeveelheid regen, pijnlijke regen. Op die snelheden voelt een druppel als stroomstoot op de blote huid. Zo ging ik, uur na uur en dag na dag. De eentonigheid van het rijden gaf me de ruimte om na te denken. Nadenken over de reis, over de boeken die ik las en natuurlijk over thuis. Het kwam het dichtst bij mediteren waar ik de afgelopen maanden ben geweest. Maar ik ben dan ook geen spiritueel type.

Ik verdwaalde, kreeg motorpech maar alles kwam altijd weer goed. Men hielp me en voor vijftig eurocent repareerde ‘puncture-wallahs’ mijn lekke binnenband. Langs de weg stonden verkeersborden vol goede bedoelingen: ‘If you are married to speed, divorce it’ bijvoorbeeld. Of het bijna poëtische: ‘we split mountains but connect hearts’. De Indiase minister van verkeer zou eens moeten overwegen om er een dichtbundel van te maken.

wpid-psx_20150911_085609.jpg
De clichés over koeien zijn allemaal waar

Bij ons is de snelweg een afgebakend stuk niemandsland van hoofdzakelijk grijs met daarop een hoop gekleurde auto’s. Beige schimmen zie je enkel bij de benzinepomp of op de vluchtstrook. Hier in India gaat het dagelijks leven gewoon door op de autoweg. Spelende kinderen, spookrijders en volledig willekeurige oversteekplaatsen. Het is een kilometers lange kinderboerderij met schuchtere honden, koeien en geiten. De beesten staan nietsvermoedend midden op de weg te kauwen tot hun kaakspieren er geen zin meer in hebben. Soms moest ik op de rem trappen omdat zo’n beest besloot te gaan lopen, of werd ik overvallen door een mijnenveld van putten en kuilen, sommige zo diep dat ze minstens zo functioneel waren als een Nederlandse bussluis.

Al seinend en claxonerend probeerde ik de levende obstakels van de weg te verdrijven.

Het wende, zoals alles went. Waar ik in maart nog aan de arm van een oude man de straat in Mumbai werd overgeholpen reed ik nu zigzaggend door het Indiase verkeer. Hier geen Renaults, Citroëns of Mercedes’ maar auto’s van Tata, Mahindra en Marati. Verkeersagenten spelen voor stoplicht en het geheel onttrekt zich aan alle verkeersregels. Maar het werkt, al betwijfel ik of iemand begrijpt hoe.

Op de eerste dag reed ik een geit aan. Het viel mee, we kwamen allebei met de schrik vrij. Maar ik heb me uren schuldig gevoeld.

wpid-psx_20150911_093103.jpg
Dorpje

 

Ik onderbrak de tocht om kennis te maken met Rakesh en Claire. Ik zou de eerste dagen met hen samen rijden. Hij is een Indiase statisticus en computeringenieur die zich vanuit een arm gezin uit Delhi naar California had opgewerkt. Na drie jaar realiseerde hij zich dat ‘the American dream’ hem materialistisch en ongelukkig had gemaakt. Hij keerde terug naar India om met eigen geld een school voor kinderen uit de sloppenwijken van Kolkata op te zetten. Een slimme vent met een baard en snor zo dik dat je er minstens zes novembers voor nodig hebt. Zij is een Amerikaanse wateringenieur die maandenlang vrijwilligerswerk heeft gedaan in een van de armste steden van India.

We reden naar Sikkim, een staat in het Noord-Oosten van India die klem zit tussen Nepal, Bhutan, Tibet en Bangladesh. China heeft er ooit wat land van afgesnoept en sindsdien wordt Sikkim beschermd door militairen en een hoop bureaucratie. We hadden vergunningen nodig om af te kunnen reizen naar de blauwe meren en de mooie stukken natuur. Berichten over aardverschuivingen en overstromingen maakten het verkrijgen van toestemming onmogelijk. Het viel tegen, zelfs de derde hoogste berg ter wereld leek klein. Ik dacht met weemoed terug aan de eerste keer dat ik het gebouw van Nationale Nederlanden zag in Rotterdam.

Grote reizen zoals deze veranderen muurbloempjes vaak in sprankelende aandachtsmonsters. Verlegen dat ze waren-al jaren opgescheept met dezelfde vrienden- leren ze plotseling de genoegens van het extraverte bestaan kennen. Het zijn mooie verhalen met een nog mooier einde. Bij mij gaat het anders. Ik ben hier graag alleen, nog meer dan vroeger. India heeft het alleen maar versterkt. Een soort einzelganger met sociale trekjes, maar dan vooral als het hem zelf uitkomt. Zo was ik mijn goelijke filantropische vrienden gauw zat ik en keek ik uit naar het moment dat ik weer met mezelf op de motor zat.

Vanaf de laatste heuvels van Sikkim keek ik uit over de vlaktes van India. Het landschap dat ik al zo goed kende maar dat ik nog nooit zo van bovenaf had gezien. Tijdens de afdaling werd het trapsgewijs warmer, de hitte en vochtigheid voelde vertrouwd. We scheurden door Bihar en in een stoffig stadje aten we elk vier ijsjes. Voorover gebogen van de buikpijn zette we de tocht voort naar Bhodgaya. Bihar is arm en ik wist niet beter of het was één grote droge zandvlakte. Maar in werkelijkheid was het misschien wel het mooiste India dat ik tot nog toe had gezien…

Vrouwen in fel gekleurde sari’s  complementeerden met het groen van de rijstvelden. Mannen stonden tot hun middel in het water te oogsten en langs de oevers zag ik gespierde buffels met glimmende huiden zo zwart als inkt. Op de horizon stonden heuvels en verder was er niets. Op de motor voelde ik me onderdeel van het geheel. Het was bijna onecht, als een foto die later is ingekleurd.

Bihar
Bihar

Het was oogsttijd en de wegen liepen dwars door de velden. Het lonkende gevaar van de tegemoetkomende vrachtwagens hield me scherp. Bij het passeren kreeg ik een zweepslag van de turbulente lucht die achter de opligger hing. Voor me zag ik hoe auto’s in een stoet achter een antieke traktor reden. Als een zwierende slinger bekeken ze één voor één hun kans op een geslaagde inhaalmanoeuvre. De middelste auto luidde toeterend de overwinning in. Gevaarlijke praktijken in een land waar niemand haast lijkt te hebben.

De staat Bihar wordt geteisterd door corruptie en geweld. ’s Avonds rijden is gevaarlijk en de politie heeft moeite om alles bij te houden. Bihar is in zekere zin ‘lawless’ zoals de Amerikanen dat zo mooi kunnen zeggen. Na een nacht slaap in een goedkoop hotel zetten we onze reis voort. Toen, uit het niets, doemde een grote politiewagen op en werden we klemgereden. Mannen met automatische geweren sprongen uit de jeep en dwongen ons af te stappen. Ik voelde de angst door mijn buik stromen. Misschien zag hij het, want een tel later fluisterde een agent me toe dat het enkel om verificatie ging. Ze waren ingelicht over onze aanwezigheid en hadden ons opgewacht. Tien minuten later zat ik voor het bureau van de hoofdinspecteur. Ik zag een integere man met eerlijke ogen en een vriendelijk gezicht. Hij zat in een piekfijn uniform achter zijn bureau omringd door wankele archiefkasten vol vergeelde dossiers. Een computer was er niet. Hij stond ons te woord in goed Engels, bekeek onze paspoorten en stelde ons toen gerust. Wij waren het niet. Hij vertelde dat er recent een politieman was vermoord door een Westerse toerist.

wpid-psx_20150908_203418.jpg
Aan het bureau

De grootste uitdaging van zijn werk was het gebrek aan logistiek. ‘We hebben net vijftien minuten moeten wachten op dit kopje chai’, zei hij terecht. Ik stelde hem een hoop vragen en ik liet hem een foto zien van het Nederlandse politie-uniform. Hij knikte beleefd. Na afloop vroeg hij of ik zijn nummer wilde toevoegen aan Whatsapp.

In al die duizenden kilometers is dit mijn enige aanvaring met de politie geweest. Mijn rijbewijs heb ik nooit hoeven laten zien.

We kwamen aan in Bhodgaya, een klein plaatsje maar ’s werelds meest belangrijke plek voor het Boeddhisme. Hier staat de boom waar Siddharta 2600 jaar geleden tot verlichting kwam en Buddha werd. Unesco is al jaren bezig om wat structuur in het arme dorp te brengen. De bananen en prullaria worden tot op het tempelplein verkocht. De bewaarders van het werelderfgoed hebben een punt; die armoedige marktkraampjes vloeken met de waardigheid die uitgaat van zo’n prachtige tempel. Het is wel typisch India,  Romeinen zouden nooit een stel wolkenkrabbers naast het Colloseum kwakken.

Bhodgaya
Bhodgaya

Ik nam afscheid van Rakesh en Claire, het was fijn om weer alleen te zijn. In de eerste twee dagen legde ik meer dan 1000 kilometer af. Ik bewoog me langs de grens met Nepal omhoog naar het Noord-Westen van het sub-continent.

Onderweg kwam ik veel tegen en zoals ik al schreef werd ik bijna overal met open armen ontvangen. Het ouderwetse thee-stalletje langs de gloednieuwe snelweg staat me nog goed bij. Het zand lag nog onder de vangrail en het kraampje stond nog op de plek waar de voormalige weg langs liep. De uitgelaten familie verwelkomde me met een spervuur aan vragen en tijdens het beantwoorden van hun enthousiasme kreeg ik vieze koekjes met sinaasappelsmaak toegestopt.

Iedere avond was mijn gezicht donkerbruin van het vuil en na een dag rijden kon ik het zwart uit mijn ogen scheppen. Ik werd met de dag viezer; zoals de groeiende stapel afwas in de keuken van een restaurant waar het personeel niet genoeg tijd krijgt om de boel schoon te maken. Maar zo had ik het me ook voorgesteld. Het had, opnieuw, iets romantisch.

In Nainital, een gezellig stadje populair bij pasgetrouwden liep ik gevangen onder mijn paraplu in de regen op straat tussen de treurig kijkende Indiërs. Stuk voor stuk zagen ze hun huwelijksreis verwateren. Het straatbeeld deed me denken aan Nederland, de grauwe druilerigheid kwam me veel te bekend voor. Tijdens de regen verstopte ik me in een goedkoop restaurantje en las ik tevreden boeken op mijn e-reader terwijl ik buiten auto’s strepen hoorde trekken over het natte asfalt. Toen ik Turks Fruit bijna uit had kwam er een lawaaierig Indiaas gezin binnen dat zonder moeite de rust verstoorde. Toen dook ik maar weer snel onder mijn paraplu.

Geen dag was hetzelfde.

De Himalaya kwam dichterbij. De ochtenddauw maakte de frisse kleuren flets en op deze morgen zag ik opnieuw de houten brug hangen in de grote leegte boven de Beas rivier. Twee maanden geleden had ik hetzelfde uitzicht, maar toen zat er een ruit tussen en zat ik in de bus.

wpid-psx_20150911_093513.jpg
Bijna in Manali

DEEL TWEE

        

Het was nog nacht. Langzaam drong het gefluit van artificiële vogeltjes zich op in de hotelkamer. Het is een naar geluid, maar ik was al maanden te lui om mijn alarm aan te passen.

In de spiegel zag ik een mager spiegelbeeld. Zelfs met kleren om mijn lijf woog ik nog maar een kleine 65 kilo. De strijd om de mooiste jongen van de klas had ik allang opgegeven.

Ik bereidde me voor op een tocht dwars door de Himalaya. Op de motor over een van ’s werelds mooiste maar meest beruchte wegen zou ik in drie dagen de oversteek maken. De Manali-Leh Highway tilt het verkeer over vier hoge bergpassen en voert je naar plekken waar de sneeuw altijd zal blijven liggen. Aan het einde ligt Ladakh, een woestijn in de bergen.

Ik trok drie lagen kleding aan en de plastic kaplaarzen maakte het mislukte plaatje compleet. Zachtjes liep ik de gang door naar buiten, het miezerde. Ik hoopte de echte regen voor te zijn.

De eerste pas ligt net voorbij Manali. De Rohtang la ( letterlijk ‘stapel lijken’) ging om zes uur open, maar ik moest nog ontbijten. Bij het laatste wegrestaurant at ik brood met jam waarvan de korstjes vakkundig waren afgesneden. Ik zat al hoger en het regende hier harder. Door het raam zag ik zware vrachtwagens voorbij trekken; langzaamrijdend verkeer dat ik na mijn ontbijt één voor één zou moeten inhalen. De Manali-Leh Highway is maar 4 maanden per jaar geopend. Een speciale divisie van het leger is verantwoordelijk voor de 479 kilometer lange route. Het is één van de twee wegen naar Kashmir, een regio waar nog dagelijks schermutselingen met Pakistan plaatsvinden en waar de landsgrenzen nog altijd niet zijn bepaald. Oorlog en conflict zijn vaak de motor achter de vooruitgang. GPS en het internet zijn voor de hand liggende voorbeelden. Alleen het leger is instaat om een weg te slaan in zo’n onbergzaam gebied als dit. Geteisterd door metershoge sneeuw en onvoorspelbare weersomstandigheden maken ze de tocht naar Leh elke zomer weer mogelijk.

Bij de eerste checkpoint overhandigde ik de benodigde papieren. Ik was doorweekt en ik vond de verkoper van de ’90 procent waterdichte handschoenen’ een enorme lul. Het was koud en ik moest nog een heel eind voordat ik de vier kilometer hoge pas zou bereiken.

Het water dat neerviel op de tank liep over in het water op de grond. Het wegdek was doordrenkt. ‘Boven is het droog’, zei ik tegen mezelf. Het waren de laatste kilometers voordat ik de regenschaduw van de Himalaya zou binnenrijden, misschien wel de enige plek waar de moesson zich niet durft te vertonen.

De motor klom langzaam verder en ik begaf me in een steeds dikker wordend pak mist. Met hooguit twintig meter zicht reed ik door de wolken omhoog. De twee rechthoekige koplampen van een vrachtwagen dwongen me naar de kant, maar in de witte waas leek de afgrond een stuk vreedzamer. Toen begon de motor te sputteren. Ik hoorde en voelde hoe de cilinder steeds vaker misvuurde en ik moest als een bezetene schakelen om het toerental laag te houden. Ik begreep er niets van en maakte me zorgen. Teruggaan of doorrijden? Pas veel later drong het tot me door dat het de zuurstofarme lucht was die het de motor moeilijk maakte. De reactie tussen de brandstof en het zuurstof was verstoord.

Het asfalt hield op en maakte plaats voor grind en blubber. Langs reusachtige bruine plakkaten sneeuw reed ik de laatste meters naar de top. Af en toe moest ik me met mijn benen afzetten, het was behelpen. Bovenop de Rohtang La stopte ik.

De zonnebrandcrème droop over mijn gezicht. De typische smaak proefde gek genoeg vertrouwd. Het was droog en ik had nog 420 kilometer te gaan.

Rohtang la
Rohtang la

Tientallen Indiërs speelden in de laatste restjes sneeuw. Een vrouw verkocht bontjassen en skipakken en ik keek verbaasd toe hoe men vrolijk selfies maakte met de vallei op de achtergrond. De afgelopen uren waren als een solo-zeiltocht over de oceaan. Ik wilde helemaal niet onder de mensen zijn, laat staan vrolijke selfies maken. Het waren hoofdzakelijk dagjestoeristen die de kou en hoogte kwamen bewonderen. Ik keek stilzwijgend toe hoe een Indiër van een jaar of dertig onhandig een steen aanstootte, niemand keek op of om, alleen ik zag hoe de steen op snelheid kwam en naar beneden rolde, recht op de weg af die mij in een ogenblik zigzaggend de vallei in zou brengen.

Het was fijn om iets gevaarlijks te doen, misschien wel om eindelijk iets gevaarlijks te doen. In een tijd waarin kinderen spelen op rubberen speeltegels en pas op hun vierde hun eigen bloed uit een wondje zien sijpelen, staat dit avontuur in groot contrast met de rest van mijn ontwikkeling. Een spijker in m’n voet op mijn zesde was het heftigste geweld dat me was overkomen. Dat dit ongelukje zich in een luxueus all-inclusive resort had afgespeeld maakte het eerder ironisch dan gevaarlijk. Wat dat betreft was dit avontuur op de motor niets voor mij, maar misschien was het juist daarom zo geweldig.

Ik stopte de eerste dag in Keylong. Een van de laatste dorpen voor de grote leegte. Een opkomende hoofdpijn gaf het begin aan van hoogteziekte. De lucht is ijl en mijn lichaam kreeg moeite om voldoende zuurstof aan het bloed te binden. Net als de motor was ook ik nog niet gewend aan de veranderde samenstelling van de atmosfeer. Het probleem van deze route is de snelle stijging en de onmogelijkheid om snel te kunnen dalen. Het leger stelt zuurstoftanks ter beschikking, reizigers kunnen hier gratis gebruik van maken.

In Manali had ik mijzelf Diamox voorgeschreven. Het medicijn zorgt voor een grotere uitscheiding van waterstofcarbonaat en natrium. Het bloed wordt zuurder en als tegenreactie probeert het lichaam de koolstofdioxide sneller weg te ademen. De versnelde ademhaling helpt bij het acclimatiseren. Het lichte diuretisch effect nam ik graag voor lief.

En het werkte. Toen ik wakker werd was de hoofdpijn weg. Ook de aangepaste carburateur deed het goed, het stotteren van de motor was afgelopen. Bij het laatste benzinestation tankte ik de motor en de jerrycans vol. Ik zou het er de komende 365 kilometer mee moeten doen.

The Gata Loops
The Gata Loops

De bergen blijven duidelijk regie houden over het verloop van de weg. De gele lijn op de landkaart toont grote gelijkenissen met het gekras van een seismograaf. Aardverschuivingen of wolkbreuken kunnen het verkeer dagenlang ontregelen en de wegen zijn smal en van beroerde kwaliteit. De berg functioneert als trechter voor het smeltwater van de gletsjers. Het ijswater zoekt de kortste route naar beneden, vaak in diepe geulen dwars over de weg.

Ik had gereedschap en reserveonderdelen bij me. De kleinste reparaties kon ik inmiddels zelf, grotere problemen zouden me afhankelijk maken van een monteur. De overtocht alleen maken was onverstandig maar voelde goed. Ik wilde mijn avontuur met niemand delen.

Overdag scheen de zon dapper over de besneeuwde bergtoppen, maar ’s nachts was het steenkoud. Als ik tijdens het rijden achterom keek zag ik een klein scherp streepje wat niets meer voorstelde dan de weg waar ik eerder die dag overheen had gereden. Om de vijftig kilometer kwam ik een tijdelijk tentenkamp tegen, huizen met steen en glas had je hier niet. Het uitzicht was ten allen tijde prachtig en hield maar niet op. Achter elke bocht zag ik nieuwe bergen verschijnen en het landschap bleef me verrassen. Ik had nog nooit iets gezien dat hier op leek.

Manali-Leh Highway
Manali-Leh Highway

Het passerende verkeer stak bemoedigende duimen naar elkaar op en ik keek vol bewondering naar de grote trucks voor wie de tocht nog een stuk gevaarlijker was. In de afgrond lagen karkassen van gevallen jeeps en vrachtwagens.

De berpassen werden steeds hoger en kouder. Op 5.2 kilometer, ’s werelds een-na-hoogste berijdbare pas, rookte ik een sigaret met een Indiër. Alles voor de vorm en het verhaal. Pas bij het praten merkte ik dat ik buiten adem was.

Die tweede en laatste nacht sliep ik in een tent op een hoge bergvlakte. Ik heb mijn kleren die nacht aangehouden en ben ’s ochtends bij het eerste zonlicht weer vertrokken. De overnachtingsplaats wordt ook wel ‘ Vomit-Hilton’ genoemd. Tijdens het slapen vertraagt de ademhaling en nemen de symptomen van de hoogteziekte toe. Het ligt zo afgelegen dat zelfs het logistieke megapparaat van Coca-Cola niet toereikend genoeg is. Ik kon er noodles en een kop thee krijgen. Ik had gelukkig geen last van hoogteziekte, maar dat ‘lichte diuretische effect’ van de Diamox had me goed te grazen genomen. Ik moest letterlijk om het half uur stoppen om te plassen. Dan stond ik in de kou langs de weg met mijn dikke handschoenen aan mijn gulp te hannesen terwijl ik tegelijkertijd de richting van de wind probeerde in te schatten.

De lucht was blauw, die laatste dag. Je zou het bestaan van wolken bijna willen ontkennen. Ik had het overleefd, ik was eindelijk aangekomen in Ladakh.

Leh, de hoofdstad, bulkt uit van de toeristen en de bijbehorende voorzieningen. Ik was weer goed onder de mensen en ik kwam zelfs backpackers tegen die ik maanden geleden had ontmoet. De Tibetaanse cultuur is hier goed bewaard gebleven, volgens ingewijdenen zelfs beter dan in Tibet zelf. De kloosters en de karakteristieke vlaggetjes creëren iets mystieks en het dorre maar machtige landschap waarin dit alles zich afspeelt maakt Ladakh tot een heel bijzonder stukje India.

Bij een reusachtig blauw meer dat deels in China ligt vergaapte ik me over de rust en eenvoud. Ik overnachtte bij mensen thuis in een huis zonder elektriciteit en ik keek als stadsjongen verbaasd toe hoe de vrouw des huizes de koeien te lijf ging tijdens het melken. De zoon vertelde me dat hij het meer inmiddels wel zat was.

Pangong lake
Pangong lake

Toen het tijd was reed ik weg uit de woestijn en stak ik over naar Kashmir. Het dorre en kale landschap van Ladakh veranderde zonder waarschuwing in een alles overheersend groen met beekjes en grazend wild. Kuddes geiten bevolkten de met gras bekleden heuvelruggen en de paarden liepen er vrij rond.

De vallei van Kashmir was anders dan Ladakh. Maar waar het landschap vrediger werd kon datzelfde niet gezegd worden over de sfeer. Eindeloos lange militaire colonnes bewogen zich langzaam over de weg tussen Leh en Srinigar. Overal waar ik keek zag ik mannen met kalashnikovs en hoewel vriendelijk tegen mij, wist ik dat de bevolking al decennia lang moest lijden onder de spanning tussen India en haar buurland. Een uitzichtloze situatie tussen twee atoommachten. De wereld hield haar adem in toen het conflict in 1999 dreigde te escaleren.

Het internationale toerisme ligt plat, de negatieve reisadviezen hangen als een vloek over de 135 kilometer lange vallei. Een vriendelijke hoteleigenaar maakte graag de vergelijking met Zwitserland. Wat betreft de omgeving had hij gelijk, je kon er zelfs skiën, maar ik betwijfel of er ooit mannen met kalashnikovs door de Zwitserse straten hebben gelopen.

Toen begon de grote terugtocht. Mijn reis zat er bijna op. Ik reed dwars door India terug naar Kolkata. Ik kwam langs Dharamsala, ik zag de smog boven Delhi hangen en ik sliep twee nachten met uitzicht op de Taj Mahal. Rond Varanasi zag ik honderden fanatieke Hindoes op blote voeten hun pelgrimstocht voltooien en moe maar voldaan reed ik voor de laatste keer Kolkata binnen. Ik had ruim 6900 kilometer gereden. Het equivalent van een enkeltje Den Haag – Kabul. ‘You were very lucky’, zei een Indiër tegen me. ‘Gelul’, zei ik in netjes Engels terug. Maar stiekem wist ik dat hij gelijk had.

Ik zit nu tussen de palmbomen, niet ver verwijderd van Thailand. De Andaman eilanden, een klein stukje India in de Indische oceaan. Morgen ontmoet ik hier een goede vriend en huisgenoot. Ik kijk ernaar uit.

Na deze laatste alinea moet ik jullie iets opbiechten. In werkelijkheid zijn we al verder in het verhaal, een stuk verder. Maar daar ben ik nog niet aan toe. Het komt, want het is bijna tijd. 

De foto’s :

Kashmir
Kashmir
Ladakh
Ladakh
Aardverschuiving en een gezellig verkeersbord
Aardverschuiving en een gezellig verkeersbord
De echte helden
De echte helden
Tussen de velden
Tussen de velden
Chai en vieze koekjes
Chai en vieze koekjes
Contrast
Contrast
Bergpas
Bergpas
Karkas
Karkas

 

Ladakh
Ladakh
Grazende yaks
Grazende yaks
wpid-psx_20150910_093631.jpg
Het was geweldig!

6 gedachtes over “The Motorcycle Diaries

  1. Gozer! Wat een prachtreis man! Zodra ik mijn Kawa uit ’82 gerestaureerd heb ga ik ook een toch maken, waarnaartoe is nog een raadsel. Maar eh… Wat moet je opbiechten, kan niet wachten!

    Like

Geef een reactie op lisatjiealoi Reactie annuleren